Het verhaal van de pionier dhr van der Weele.

Onderstaand interview is uit 2013 en opgetekend door Arachne Molema, freelance journalist.

 

pioniers verhalen
Dhr Marinus van der Weele.                                                                                    Foto gemaakt door Marcel van de Berg

‘Alleen de doorzetters hielden vol’


Houten barakken en schelpenpaden kenmerken het beschermde erfgoed van de Noordoostpolder. Maar de pioniers ging het om de landbouwgrond.


‘Als ik niet in het verzet had gezeten, dan was ik waarschijnlijk nooit in de Noordoostpolder beland’, zegt Marinus van der Weele (91). ‘Ik werd opgepakt in 1942. De Duitsers stuurden me naar kamp Vught, maar ik ontsnapte. Te voet ben ik vanuit Roosendaal naar Goes gegaan. De verzetsgroep gaf me daar een duidelijk advies: ga niet naar huis, ze pakken je zo weer op. Ga naar de Noordoostpolder en help mee met de ontginningen. De Duitsers komen niet in de werkkampen. Ik kreeg geld voor de reis en de volgende ochtend om zes uur zat ik in de trein naar Kampen. Waanzinnig, want alles buiten Zeeland was voor mij buitenland.’

Emmeloord

De geschiedenis van de Noordoostpolder is onlosmakelijk verbonden met de Tweede Wereldoorlog. De plannen voor het droogmalen dateerden van 1918, maar het gebied achter het oude eiland Urk viel pas droog in 1942. Boerenzonen, landarbeiders en grondwerkers trokken erheen. Wie voor voedselvoorziening in de Noordoostpolder werkzaam was, hoefde niet in Duitsland te werken. De polder stond dan ook bekend als het ‘onderduikersparadijs’.

Pionier Marinus van der Weele was een van hen.’Vanuit Kampen liep ik naar de polder. Ik wist dat er wat gaande was in de Zuiderzee, maar dan kom je in zo’n polder. Verrek, wat een omvang. Die leegte. Als arbeiders wisten we weinig van elkaar. Mijn echte naam gaf ik niet. We deden ons werk, groeven ontwateringsgreppels en sloten met de hand. Zwaar werk. Een schop moesten we zelf meenemen. We woonden in houten tochtige barakkenkampen, een stuk of dertig waren er in de hele Noordoostpolder. In het begin waren die alleen voor mannen, later kwamen er gezinsbarakken. We maakten lange dagen en alleen de doorzetters hielden vol.

De Razzia

‘In 1944 veranderden onze omstandigheden. In augustus was er de eerste razzia, op 17 november volgde een tweede. Dit keer was het serieus. De hele Noordoostpolder werd omsingeld. Tot die tijd had geen Duitser voet in het nieuwe land gezet. Ze hadden meer arbeiders nodig en ze zochten verzetsstrijders. Als jagers kwamen ze door de velden. Schoten in het wilde weg. Ik en een kameraad renden het riet in. Je moet je een grote vlakte indenken vol hoog riet dat steeds drassiger wordt, klaar om te ontginnen. ‘Jongens, kom maar naar boven’, riepen ze. We lagen zo plat als het maar kon, met ons hoofd in de grond. Zo bang als je dan bent, verschrikkelijk.

‘Het regende, begon te stormen en het was ijskoud. De derde avond slopen we terug richting het kamp. De volgende dag zagen we lange rijen mensen die werden afgevoerd. Via Vollenhove liepen ze naar Meppel, waar ze op de trein werden gezet.

‘Ik sloop langs de zijkant van de cultuurboerderij naar de stal. De cultuurboerderijen werden gebruikt om het nieuwe land in cultuur te brengen, de landbouwopzieners woonden daar. De opziener was de paarden aan het verzorgen toen hij mij zag. ‘Waar kom jij vandaan?’, riep hij uit. Mijn stem was weg. ‘Kom binnen’, zei zijn vrouw. Pas toen merkte ik hoeveel pijn ik had. Mijn benen waren helemaal opgezet door de kou. Met een scheermesje moesten ze mijn broek opensnijden. Na de bevrijding ging ik terug naar mijn ouders in Zeeland.

Terug naar de Noordoostpolder.

Die zomer vroeg de opziener of ik terug wilde komen om te helpen oogsten. De polder was leeg, een heleboel onderduikers gingen na de bevrijding terug naar huis. Ik vond dat ik de opziener wel wat verschuldigd was en mijn vader gaf me toestemming. Ik ging terug naar de polder. Maar na de oogst moest er gezaaid worden, toen kwam de volgende oogst en zo ging het door. Ik bleef, en mijn droom van een eigen boerderij in de Noordoostpolder ook.

‘Ik werd ploegbaas en stuurde andere greppelgravers aan. Later leerde ik de tractor en dorsmachine besturen. In 1949 kreeg ik de positie van landbouwkundig opzichter. Als opzichter mocht ik in een cultuurboerderij wonen, en trouwde ik met mijn lief uit Groningen. Ze was een kennis van een verzetskameraad van me.

De selectie

‘De selectieambtenaren bepaalden wie een boerderij kreeg toegewezen. Niet alleen de mannen, ook hun vrouwen kregen vaak bezoek van de inspectie. Zagen zij het eveneens zitten om te emigreren, iets nieuws op te bouwen in de Noordoostpolder? Alleen positief ingestelde bewoners werden geselecteerd.

‘In 1953 kregen we het bericht dat we een boerderij aan de Johannes Postweg in Nagele kregen toegewezen. Het was de vijfde boerderij op de top tien lijst die ik had moeten inleveren. Dan ben je natuurlijk blij. Voldaan. Al die jaren werk je op dat land en een eigen boerderij is je doel. Eigenlijk zou ik de boerderij van mijn vader in Westkerke overnemen, ik was de enige zoon. Mijn moeder was er niet blij mee dat ik in de polder bleef. De keuze was moeilijk, mijn vader begreep het wel. Later heeft mijn zwager de boerderij overgenomen.

‘Er waren allerlei voorwaarden: vakkundigheid op landbouwgebied, financieel moest je er goed voor staan, godsdienstig actief en dan nog eens maatschappelijk betrokken. Mijn vader stond gelukkig borg voor mij. En ik zat in het bestuur van de landbouwbelangengroep. Ik denk dat ze misschien nog wel meer naar iemands mentaliteit keken. Had je de juiste pioniersgeest?

‘Sommige van mijn kennissen kregen na jarenlang wachten geen boerderij toegewezen. Dat is een teleurstelling, je hebt toch een paar jaar van je leven opgeofferd. Zij aan zij werkten we aan die grond. Dat creëert verbondenheid. Degenen die na de oorlog bleven, volhardden door de hoop op een boerderij. Toch zijn de meeste afgewezenen geslaagd in hun leven. Het waren doorzetters.

pioniers verhalen

De opvolging

‘Ik kreeg kinderen en hoopte dat ze de boerderij wilden overnemen. Maar nee. Toen vestigde ik mijn hoop op de kleinkinderen. Maar waar wacht je dan op, de achterkleinkinderen? Tegenwoordig leren ze maar door, tot ze 25 zijn. Ik heb het zo lang mogelijk volgehouden. Twee jaar geleden besloot ik dat ik lang genoeg had gewacht en heb ik de boerderij verkocht. Aan een internationaal veredelingsprogramma voor landbouw. Ik hoop dat ik mijn bedrijf onder die naam nog een poosje mag zien groeien en op een hoger niveau mag zien komen.

‘De boerderij is dan wel verkocht, maar ik ben nog steeds boer. Dat zit in je en dat blijf je een leven lang. Zo nu en dan doe ik nog wel eens een handeltje. Dan koop ik een partijtje aardappelen op.

‘Voedsel is de basis van het leven. Maar de zeggenschap van boeren in de polder neemt af, en het zijn er door de mechanisering ook steeds minder. Het doel van de Noordoostpolder was er een mooi landbouwgebied van te maken. Daar hebben we met de hand hard voor gewerkt. Daarom kan ik er niet goed tegen als ze in de gemeenteraad beginnen over verplichte ‘recreatie- en natuurgebieden’. Kijk naar de tarwe, de gewassen op het land, die zijn groen. Dat is toch ook natuur?’

 

tekst geplaatst met toestemming van de auteur Arachne Molema

Verschenen in “de Volkskrant”augustus 2013

 

9 april 2017 is dhr van der Weele overleden.

Naar aanleiding van het boek van Eva Vriend “Het Nieuwe Land”  bekijk een uitzending van Andere Tijden uit 2013 over de selectie: Superboeren.

Delen
Delen