Van een groot aantal pioniers uit de polder zijn de verhalen over de oorlog bekend.
Enige tijd geleden kreeg ik het verhaal van Mr. Bas Kooistra uit Steenwijk.
Eén van de velen die in de oorlog kennismaakten met de Noordoostpolder.

Veel gebeurtenissen uit die tijd komen overeen. Maar ook altijd bijzonder om het nog uit de mond van de persoon zelf te horen.
Eerst een overzicht van zijn leven. Daarna het verhaal opgetekend door hemzelf.

LEVENSLOOP  VAN  BAS  KOOISTRA

 

(Bastiaan Anne Kooistra)

Geboren te Dordrecht 02-04-1925

Overleden te Meppel   07-03-2017

Oud griffier te Amsterdam, Steenwijk en Assen

 

Zijn grootouders van vaders kant (Kooistra) zijn toendertijd vanuit Joure (Friesland) naar Vlissingen verhuisd voor werk (Scheepswerf). En later van Vlissingen naar Dordrecht. Hier hebben zijn ouders elkaar leren kennen.

Op 2 april 1925 is Bas Kooistra daar in Dordrecht geboren als oudste zoon in het gezin met drie zoons, daarna zijn broer Wim en jongste broer Harrie.
Hij heeft lagere school gevolgd, daarna de vier- jarige Handelsschool en is daarna gaan werken bij de G.E.B., waar hij ’s avonds naar de Burgeravondschool ging.

In juni 1943 werd hij opgeroepen voor de arbeidsdienst en kwam hij terecht in het barakkenkamp in Staphorst. Hier is hij in juli 1943 weggelopen. Hij is weer opgepakt en weer naar Staphorst gebracht en na 5 maand zou hij naar Duitsland gestuurd worden als straf. Hij vluchtte toen naar de N-O Polder en dook  daar onder. Na de tweede razzia waaraan hij ontsnapt was kon hij weer terugkeren naar Dordrecht, waar hij zich in dec. 1944 aansloot bij de verzetsgroep van Jhr. Six.

In 1945 kwam hij bij de O.D. (Orde Dienst), een onderdeel van de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) dat na de oorlog overging in het Ned. Leger bij de Territoriale Troepen.
Van sept. 1945 tot en met 1947 diende hij bij het Garde Regiment  Limburgse Jagers.
Na zijn diensttijd in 1947 kwam hij te werken in het gevangeniswezen. Eerst bij gevangenis “Beugelen” te Staphorst als Sociaal Raadsman.  In jan. 1951 ging hij naar gevangenis “Oostereiland” in Hoorn, ook als Sociaal Raadsman.

In juli 1951 trad hij in dienst bij het Kantongerecht te Amsterdam als chef en ging ook in Amsterdam wonen.  In Hoorn had hij Annie Stam leren kennen (Antje Stam, geboren op 24 juli 1923 te Medemblik) en is met haar op 4 februari 1953 getrouwd in Den Haag. (Net na de watersnoodramp in febr. 1953).
Zij kregen 5 kinderen, 2 jongens en 3 meisjes.
In juni 1953 heeft hij het avondgymnasium (Barleus) gehaald in Amsterdam.
Later werkt hij als griffier bij het Kantongerecht in Amsterdam, waar hij jaren heeft gewerkt.
Hij heeft hierna nog een rechtenstudie gevolgd, waar hij in 1973 voor geslaagd is.  (Utrecht).

In 1972 verhuisd naar Havelterberg waar hij als griffier werkt op het Kantongerecht van Steenwijk en Meppel. Daarna in 1976 werkzaam geweest als griffier op het Kantongerecht in Assen, waar hij tot aan zijn pensioen in 1990 gewerkt heeft.
Ze zijn in 2006 van Havelterberg naar Steenwijk verhuisd. Zijn vrouw Annie is op 8 maart 2013 overleden. (Ze waren op 4 febr. 2013  60 jaar getrouwd).

Bas Kooistra heeft tot zijn overlijden op 7 maart 2017 in Steenwijk gewoond. (Overleden in Meppel).
Zijn hobby’s waren: muziek maken (gitaar en orgel), fotograferen en films maken, kunst en sport.
Ook was hij ere lid voor het leven van het Nanton Lancaster Society Museum in Calgary  (Canada).

Zijn verhaal.

Ervaringen tijdens mijn onderduikperiode 1943-1944 in de Noordoostpolder

 

Toen ik in 1943 door de Duitsers gedwongen werd om in Duitsland te gaan werken, had ik een goede baan bij de Raad van Arbeid in Dordrecht, de voorloper van de Sociale Rijksverzekeringsbank, die de A.O.W. regelt voor de 65+. Ik had loketwerk om belanghebbenden in te lichten, wat voor hun, in hun omstandigheden, het beste was. Met mensen omgaan, vind ik het mooiste wat er is. Met hulp van mijn vader kwam ik via het Arbeidsbureau terecht in de Noordoostpolder. Maar ik werd eerst gedirigeerd naar kamp Blokzijl, bij Vollenhove. Ik merkte al gauw dat ik het hier niet vol kon houden. Het werk was veel te zwaar voor een kantoorman. De grondwerkers uit die streek waren voor mij niet bij te houden. Dus gedrieën, Wladimier, een Rus, een rijke aannemerszoon en ik gingen noodgedwongen naar Kraggenburg om daar ons geluk te beproeven. Ook hier konden we het niet bolwerken. We zijn altijd de directie van de Noordoostpolder dankbaar gebleven dat ze het de onderduikers nooit moeilijk hebben gemaakt. Je ging gewoon naar de baas die de 5 meter uitzette om met 3 spa steken de greppel te graven waar de poreuze draineerbuizen in gelegd werden voor de ontwatering van het land. Als je na urenlang zwoegen de 5 meter klaar had was je dagloon verdiend. De beroepsgrondwerkers uit de streek hadden dan wel 4 keer zoveel meters gedaan. ’s Avonds ging je bij de kampkeuken je warme hap halen. Dat was werkelijk overal smaakvol en uitstekend! We waren altijd blij als het regende want dan kreeg je regenverlet uitbetaald. Met z’n tienen sliep je in één ruimte in een houten barak in een krib op een strozak. Die moest je ’s morgens buiten uitslaan vanwege de vlooien. Zondags gingen we naar een kantine in de Espelerbocht en waren we prettig met elkaar. De plaatselijke boerengrondwerkers gingen naar huis. Zij brachten vaak bonnen voor ons mee die we naar onze ouders stuurden. In de Hongerwinter kreeg je maar een half brood op de bon voor een hele week! Van Kraggenburg gingen we naar de Zwolsevaart, weer een barakkenkamp. Weer was het moeilijk. Vervolgens gingen we naar Barakkenkamp Marknesse-II, waar ook een kantine was. Hier leerde ik een Staphorster kennen. Na de oorlog ben ik met m’n vrouw nog vaak bij deze familie Slager geweest. Zij waren heel gastvrij. Om de zondag door te komen zijn we ook eens naar Kraggenburg geweest waar een lichtwachterpost was. Na Marknesse kwamen we nog terecht in Emmeloord-Oost. Daar heb ik goede herinneringen aan want hier kregen we vrijdags een gehaktbal bij het eten. Tenslotte kwamen we eind 1944 in Luttelgeest. Toen werden we op een ochtend wakker door een oorverdovend mitrailleurvuur. Voor we het wisten waren we gevlucht naar het meer dan twee meter hoge riet, ongeveer waar nu de Orchideeën-Hoeve in volle glorie is te bezoeken. Later bleek dat door de Duitsers werd geschoten, want een onderduiker is daar toen zo zwaar gewond geraakt dat hij aan zijn verwondingen is overleden. Twee dagen en nachten hebben we ons schuil kunnen houden. Onnoemelijk geluk hebben we gehad. Een zekere Henk Rotgans, een Amsterdammer, ook uit de polder, maakte onderstaande tekening. Zo goed en kwaad als het ging kwamen we de schrik te boven, niet vermoedend dat er kort hierna er nog een grotere razzia volgde. Als ik me goed herinner was dit 17 november 1944. ik vergeet dit nooit meer want dezelfde herrie bleek nog erger. Wij gingen weer naar het hoogste riet en hadden opnieuw alle geluk van de wereld. Nu tussen de draineerbuizen in, die ze vlak bij het afgemaaide riet op een grote hoop bij elkaar hadden gelegd. In de verte hoorden we nog het geschreeuw van de Duitsers. Ja dan wil je wel in de grond kruipen. Misschien niet zo positief, maar wel voor ons geweldig toen we hoog in de blauwe lucht hele zwermen bommenwerpers zagen overvliegen in de richting van Duitsland om te bombarderen. En al die stroken zilverpapier die we naar de grond zagen dwarrelen om de Duitse radar te ontregelen, te ontwijken. Twee razzia’s. we waren het nu meer dan zat. Zo gauw mogelijk de polder uit. Dat kon pas na dagen toen het doodstil was geworden. Nu hadden we het echter minder voorspoedig. Van horen zeggen wisten we dat de Duitsers de hele polder hermetisch hadden afgegrendeld. Wat een tegenstrijdigheid, nu hielden ze ons juist vast. Voor de voedselvoorziening van de Duitsers. In de Hongerwinter van 1944 kregen we voor de bonnen een half brood voor de hele week. Dankzij een grondwerker die wij uit onze ploeg kenden hielp hij ons bij Ramspol, waar ook een Duitse Post zat, met een roeiboot de Zwolse Vaart over. Zo konden wij de Polder ontvluchten. Maar het bleef oppassen. Henk en Wladimier heb ik nooit meer terug gezien. Ik heb Dordrecht gehaald waar ik ontkwam aan een derde razzia. Die hele belevenis staat beschreven in het in Dordrecht uitgegeven boek: “Dordrecht, stad in oorlogstijd”, herinneringen aan ’40 –‘45”. Door een bericht in de krant kwam ik aan de weet dat er op 12 september 1992 in Schouwburg “’t Voorhuys” in Emmeloord een reünie met onderduikers uit de Noordoostpolder zou plaatsvinden. Daar ben ik heen geweest. Toen heb ik Henk en Wladimier niet gezien en niets over hen gehoord. Ik heb toen nog bloemen gelegd bij het gedenkmonument aan de Lindeweg, kavel 13. Ik kreeg toen een kopie als herinnering van “De Noordoostpolder in wording”van Rotgans. Later heb ik vernomen dat er nu in de Noordoostpolder markeringspalen staan met het feloranje silhouet van een Lancester bommenwerper aan de rand van elke kavel waar een vliegtuig is neergestort. Zie langs de Lindeweg 13/14, vlak bij Luttelgeest. Ook aan de Oosterringweg, richting de Orchideeënhoeve staat een markeringspaal. Bijna op elke markeringspaal is een bordje gemonteerd waarop een korte omschrijving van het toestel dat zich op die plaats bevond. Het type vliegtuig, tot welk eskader het behoorde, wie de bemanning was en welke bestemming het toestel had. In Marknesse heb je aan de Groene Zoom een gedenkmonument in de vorm van een vliegtuigpropeller: 1940-1945, met uitvoerige beschrijving.

Steenwijk, 18 juni 2015.

Bas Kooistra.

 

Het verhaal van dhr Bas Kooistra is vastgelegd en ook opgenomen door mijn zus Wieske Veldhuis.

 

Delen
Delen